Medisch en ander leiderschap

Samenwerking is nog beter

Medisch leiderschap is niet een management hype. Het is een van de competenties van de bedrijfsarts! De opleiding en bijscholing en de acties van de beroepsvereniging zijn er mede op gericht. Het gaat niet in het minst om een basishouding: steeds bewust op alle kwesties kijken wat er beter kan. De professional moet voortdurend openstaan voor nieuwe wetenschappelijke inzichten, zelf juist preventie op de agenda krijgen, problematiek van beroepsziekten onderkennen, misstanden aankaarten en de eigen vaardigheden steeds weer kritisch onder de loep nemen.

Gezonde arbeidsorganisatie

De ongezonde werksituatie waarmee deze nieuwsbrief opende, werd op dit jaarcongres genoemd door een (overigens medisch geschoolde) consultant. Hij verwoordde stevige meningen over de rol van de bedrijfsarts bij de wettelijke verzuimbegeleiding. Als de werknemer herstelt van z’n ziekte, lijkt terugkeer naar het werk de straf voor herstel. “Bij een ongezond bedrijf moet de bedrijfsarts zich op het bedrijf richten. Artsen die mensen (be)geleiden naar functies waarin die mensen ongelukkig worden, schenden de eed van Hippocrates.” [De beroepseed van alle artsen, red.]

Er zijn niet veel, maar wel enkele arbeidsorganisaties die een verzuim hebben van niet meer dan twee procent, zo stelde deze consultant. Die organisaties hebben een ‘gezonde’ bedrijfscultuur en hoge kwaliteit van het leidinggeven. Daar heeft de bedrijfsarts hooguit een enkele wettelijk verplichte medische beoordeling te doen. De daadwerkelijke verzuimbegeleiding is in goede handen bij de organisatie zelf. Een externe partij voor verzuimbegeleiding zou vaker contraproductief zijn. Maar, zo stelt deze presentator: “De meeste managers geven geen leiding.”

“Goede leiding maakt verzuimbegeleiding overbodig”

Het is opmerkelijk: een congres over medisch leiderschap bevestigt hoe belangrijk het eigen leiderschap is in een arbeidsorganisatie!

Dit is geen nieuwe uitkomst. Wel geldt dat leiderschap steeds een nieuwe uitdaging is. Denk maar aan het doorwerken tot hogere leeftijd en de opkomst van chronische aandoeningen door vergrijzing én leefstijl. Daarover waren er diverse workshops.

Er is bijvoorbeeld een programma voor bedrijfsarts om bewustwording en kennis over chronische ziekten te vergroten. Daarmee richt de bedrijfsarts zich op patiënt-werknemer, de partner en leefomgeving, maar evenzeer op de werkgever: dit voor een betere dialoog en wederzijds begrip op de werkvloer.

Een complexe opgave voor werkgevers is dat ze hun werknemerspopulatie zien verouderen. Een gezonde leefstijl kan veel ellende voorkómen, maar hoe zijn de mensen daartoe te verleiden? Een bedrijfsarts bij een groot ziekenhuis onderzocht het, en vertaalde dat in een aanpak. Motiverende gesprekken door de bedrijfsarts en electronische hulpmiddelen voor de werknemer passen in een ‘pakket’: een breed aanbod door de werkgever. Die faciliteert onder meer dat groepen werknemers samen optrekken voor gewichtsvermindering en dus elkaar stimuleren en steunen. Die aanpak is succesvol, blijkt nu ook bij onderzoek over een langere periode.

Gedeelde leiding hóógst belangrijk

Het beeld is soms dat werkgever en bedrijfsarts tegenover elkaar staan als het gaat om gezondheid van werknemers. Dit congres begeesterde ook de samenwerking: werkgevers, werknemers, bedrijfs- en andere artsen, ze hebben elkaar nodig. Te beginnen met duidelijkheid door medisch onderzoek: wat zijn mogelijkheden voor arbeid, behandelmogelijkheden, voor verbetering van de belastbaarheid en inzetbaarheid?

Met dank aan Ton van Oostrum

Klik hier voor een verslag.

“Nederland is ziek”

Toenmalig minister-president Lubbers had in 1990 dit harde oordeel over de onbeheersbaar lijkende arbeidsongeschiktheid in Nederland. Talloze drastische maatregelen volgden, met een sluitstuk per 2006. Toen ging de WIA werken, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Het blad Economisch Statistische Berichten wijdt 11 april een thema-uitgave aan de WIA. Totaal 16 auteurs leveren 21 pagina’s onderzoeken en beschouwingen. De hoofdredactie concludeert: “De WIA lijkt zijn doel gehaald te hebben en werkt dus naar vermogen.” De impact van de WIA blijkt verder vooral een subtiel evenwicht van plus- en minpunten.

WIA werkt duurzaam

Een van de gepresenteerde onderzoeken vergelijkt twee groepen langdurig zieken uit het verleden. De eerste betreft mensen die ziek werden in het laatste kwartaal van 2003 en tenminste een half jaar ziek bleven. Bij eventuele arbeidsongeschiktheid zouden ze instromen in de WAO (toen al met aangescherpte toelatingscriteria). De tweede groep betreft mensen met overeenkomstige achtergrondkenmerken (zoals geslacht, leeftijd, contractvorm en loon) en tenminste een half jaar ziek, aangevangen in het eerste kwartaal van 2004, met dus mogelijk vooruitzicht op de WIA. In

Het begin daalde met de WIA de instroom fors in vergelijking met de WAO, maar vanwege toegenomen gezondheidsproblemen kwam een aantal mensen alsnog in de WIA. De effecten van de WIA blijken echter duurzaam: in 2015 heeft 22% van de WAO-groep een WAO-uitkering, terwijl in de WIA-groep 17% een WIA-uitkering heeft.


Verder geldt dat de financiële prikkel bij gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de WIA een iets hogere arbeidsdeelname bevordert dan de WAO indertijd deed.

Ook een belangrijk punt: de WIA-groep heeft tussen 2007 en 2015 gemiddeld 1,6 procentpunt meer dan de WAO-groep een andere uitkering. Dat is niet per se ongunstig, het herbevestigt het beeld dat er in de oude WAO ‘verborgen werkloosheid’ zat.

WIA-uitstroom gering

De WIA kenmerkt zich door twee regimes. De zogeheten IVA is er voor mensen met naar verwacht duurzame en grote mate van arbeidsongeschiktheid. De WGA is bedoeld voor mensen met kansen om (meer) werk te hervatten. Dat werkt gedeeltelijk, WGA-ers hebben vaker dan WAO-ers bijverdiensten uit werk. Echter, anders dan ooit gehoopt, is de WIA nauwelijks een opstapje laat staan een springplank naar werk zonder uitkering. Het totale bestand stijgt dan ook. De uitsnede uit de Infographic van de ESB-redactie laat dat zien. Alsmede stagnatie in teruggang van het totaal aan uitkeringen.

Koppeling enquête en sociaaleconomische data

Drie onderzoekers van TNO deden een analyse met de jaarlijkse Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden. Gegevens van werknemers die deze NEA invulden in de jaren 2007–2012, hebben ze gekoppeld aan CBS-data over de geregistreerde sociaaleconomische positie van die werknemers. Dit betreft totaal bijna 133.000 werknemers, van wie er 2.317 vijf jaar na het invullen van de NEA langdurig arbeidsongeschikt bleken.

Aldus blijkt dat werknemers die gevaarlijk werk doen, een 1,6 keer hogere kans hebben op arbeidsongeschiktheid vijf jaar nadien dan werknemers zonder zulk werk. Ook fysiek resp. psychisch belastend werk hangen elk samen met een 1,5 keer hogere kans op arbeidsongeschiktheid.

Sociale steun belangrijk

Hiernaast zijn er resultaten die het belang aangeven van bedrijfscultuur, van gedrag en sfeer op de werkvloer. Werknemers met naar zeggen weinig of zeer weinig sociale steun van collega’s of hun leidinggevende, hebben een tot wel een 2,7 keer hogere kans op arbeidsongeschiktheid in vergelijking met werknemers die wel steun ervaren. De TNO-ers besluiten: “… uiteindelijk zijn mensen sociale dieren, en blijken de sociale aspecten van ons werk dus ook sterk samen te hangen met het hebben en houden van inzetbare werknemers op de lange termijn.”

Met dank aan Ton van Oostrum

Arbobalans, nieuwsbericht van TNO

Cognitieve klachten en re-integratie

Cognitieve klachten en re-integratie

Re-integratie na bijvoorbeeld een burn-out of hersenletsel is mogelijk, maar heeft veel voeten in de aarde. Laten we vooropstellen dat problemen aan het brein heel anders herstellen dan bijvoorbeeld een gebroken been en ook de reacties van de omgeving zijn totaal anders. Een gebroken been hoef je niet uit te leggen, hooguit hoe je eraan bent gekomen; mensen zien dat je met gips om je been loopt. Een kortsluiting in je hersenen zien mensen niet en zorgt dus voor veel meer onbegrip. Re-integreren na dergelijke problemen vereist dus veel meer uitleg; aan de omgeving maar ook aan de cliënt zelf.

Re-integratie van cognitieve klachten met cognitieve training

Cognitieve training is het onderdeel van cognitieve revalidatie wat zich onder andere richt op het leren omgaan met beperkingen die een direct gevolg zijn van een cognitieve stoornis. Deze training richt zich niet op het opheffen van de stoornis; dat is nog niet mogelijk met de huidige psychische en medische kennis en ervaring. Cognitieve training begeleidt zowel cliënt als omgeving naar het functioneren mét de klachten. Iemand met cognitieve klachten is in veel taken veel beperkter dan iemand die volledig gezond is. Afhankelijk van de klachten kan de cliënt functioneren op een niveau dat bij hem of haar past. Je hebt gewoon veel vaker rust nodig met een burn-out en je bent vaak veel sneller geprikkeld door de omgeving dan je gezonde collega’s. Daar moet je zelf al ontzettend aan wennen, maar wanneer de omgeving daar vervolgens vol onbegrip op reageert vertraagt dit het re-integratie proces. De omgeving zal dus net zo zeer getraind moeten worden in de omgang met de re-integratie van hun medewerker en/of collega als de persoon zelf.

Begrip en communicatie zijn hierbij twee belangrijke sleutelwoorden. Iemand die zich begrepen en ondersteund voelt, zal vele malen sneller herstellen dan iemand die constant tegen muren van onbegrip loopt. Voor de cliënt zelf is begrip naar zijn of haar eigen situatie minstens zo belangrijk, daarom focust cognitieve training zich op het verminderen van de beperkingen van de cliënt; voornamelijk op het gebied van de gevolgen voor het dagelijks leven. Het is niet zozeer de ambitie om alle functies te herstellen naar de oude waarden, maar de belangrijkste zaken herstellen naar wat mogelijk is. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het trainen van het onthouden van namen, of omgaan met de grote informatiestroom tijdens vergaderingen. Als het ware omzeil je de beperkingen door compensatie-strategieën aan te leren. Het nadeel van deze strategie is dat er vaak naar cognitieve training wordt gekeken als niet- of minder- wetenschappelijk onderbouwd. Het lijkt veel op improvisatie of therapeutische creativiteit en niet gebaseerd op één of meer duidelijke theorieën op het gebied van het functioneren van de hersenen, terwijl er dus juist veel winst mee te behalen is.

Mogelijkheden inschatten met (beperkte) cognitieve klachten

Doordat cognitieve klachten niet duidelijk aan de buitenkant te zien zijn, is het lastig om in te schatten wat de exacte mogelijkheden nog zijn. Dit toont zich vaak vanzelf door het gedrag en omgang met taken te bestuderen van de cliënt en hierop de behandeling c.q. training aan te passen. Een factor die dit compliceert is het feit dat mensen met (beperkte) cognitieve klachten vaak overschatten wat zij nog kunnen. Deze klachten kunnen worden veroorzaakt door een burn-out, maar ook door bijvoorbeeld een chemokuur. Vaak worden de effecten hiervan op de hersenen onderschat, waardoor de cliënt zelf vaak meer taken op zich neemt dan hij of zij daadwerkelijk aan kan. Cognitieve training ondersteunt bij het inschatten van deze mogelijkheden en traint de cliënt om beter zijn of haar grenzen te herkennen en erkennen.

Cognitieve klachten door burn-out

Dat een burn-out cognitieve klachten met zich meebrengt moge duidelijk zijn. In recent onderzoek is gebleken dat de gevolgen van een burn-out nog lang na de oorspronkelijke diagnose te zien zijn. Wanneer medewerkers uitvallen door de gevolgen van een burn-out zijn zij langere tijd uit de roulatie, maar ook wanneer zij weer terug zijn in hun werkomgeving na een re-integratie proces zijn zij nog lang niet volledig hersteld. Bart Oosterholt (onderzoeker van de Radboud Universiteit) onderzocht de langetermijneffecten van burn-out. Daaruit bleek dat anderhalf jaar ná de diagnose er toch nog cognitieve problemen waren, zelfs na hun re-integratie en hervatting van de werkzaamheden. In vergelijking met gezonde personen waren het werkgeheugen en de reactiesnelheid nog steeds minder.

Bij re-integratie is het dus van belang dat zowel de omgeving als de cliënt zelf getraind wordt in het omgaan met zijn of haar klachten. Het herkennen en erkennen van de problemen ondersteunt en versnelt het herstelproces. ICARA is gespecialiseerd in het verrichten van medische expertise en arbeidsdeskundige onderzoeken met het doel duidelijkheid te creëren als basis voor een goed re-integratieplan. Neem contact op voor de mogelijkheden.

Wetswijziging faciliteert tuchtrecht

Het medisch tuchtrecht is voortdurend in discussie. Onder meer omdat de professionals zelf deelnemen in de tuchtcolleges. Ook al worden die voorgezeten door een niet-medicus, meestal een jurist die ook rechter is. Vier op de tien mensen in Nederland vindt dat de colleges de beroepsbeoefenaren de hand boven het hoofd houden. Het geheel lijkt een beetje 19e eeuws.

Tuchtrecht krijgt daarentegen juist méér toepassing. Per 2015 is het in de jeugdzorg nieuw ingevoerd. Daarmee zijn er 14 wettelijk geregelde terreinen met tuchtrechtspraak. Opkomende beroepsgroepen willen zelf zo’n voorziening, bijvoorbeeld vertrouwenspersonen ongewenste omgangsvormen streven ernaar.

Toename

Het heet dat patiënten mondiger worden. In 2000 waren er tuchtklachten tegen 0,3% van de medisch beroepsbeoefenaren, in 2017 was dat bijna 0,5%. In dat jaar waren er verhoudingsgewijs 10 keer zoveel klachten tegen bedrijfsartsen. De ‘top drie’ voor twee jaren is als volgt.

Vermoedelijk steekt er waarheid in wat bedrijfsarts Algra blogde: “Juist deze drie artsengroepen staan bij uitstek diep met hun enkels in de modder van de samenleving.”

In een op de 6 à 7 zaken vinden tuchtcolleges de klacht (tenminste gedeeltelijk) medisch gegrond. In ongeveer de helft daarvan komt het tot een waarschuwing, in de andere helft volgen zwaardere maatregelen, meestal een berisping.

Omdat de maatregelen openbaar zijn, kunnen artsen tot in lengte van dagen aan de digitale schandpaal staan. De website “Foute bedrijfsartsen” lijkt van internet verdwenen, er zijn nog wel andere ‘boosaardige’ plekken op het web, zie de links hieronder.

Wijzigingen

Tuchtrecht staat in de wet BIG, Beroepen Individuele Gezondheidszorg. Een wetswijziging per april 2019 bepaalt onder meer het volgende:

  • Eenvoudige klachten kunnen snel worden afgehandeld door de voorzitter van een tuchtcollege.
  • Berispingen en boetes worden alleen openbaar als de tuchtrechter dat nodig vindt in het belang van de individuele gezondheidszorg.
  • Zorgverleners moeten hun BIG-registratienummer voeren in correspondentie en andere uitingen. Zo kan ieder eenvoudiger de bevoegdheid controleren.
  • Voor het indienen van een tuchtklacht moet de klager straks griffierecht à € 50 betalen. Als de klacht gegrond wordt verklaard, krijgt hij dat terug.
  • Ook komt er de mogelijkheid om de aangeklaagde te veroordelen in de kosten van de klager, zoals voor een advocaat. Dit als de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is.

Gratis tuchtklachtfunctionaris

Klagers kunnen per april, kosteloos, ondersteuning krijgen van een tuchtklachtfunctionaris. Die adviseert over het formuleren en indienen van een tuchtklacht. Er zijn vijf formatieplaatsen op de begroting van het ministerie van VWS. De positie is onafhankelijk en onpartijdig ten opzichte van de vijf regionale tuchtcolleges. De functionarissen zullen in ieder geval telefonisch, per e-mail en schriftelijk bereikbaar zijn. Ze zijn ondersteunend, niet consulterend of mediërend.

In het verleden moesten mogelijke klagers vaak een advocaat raadplegen over de kansen van tuchtrecht. De rechtsbijstandsverzekering vergoedt dat zelden.

Pluspunt voor werknemers én werkgevers

De gratis hulp van tuchtklachtfunctionarissen is dus hoe dan in het voordeel van werknemers én -gevers. (Klachten van werkgevers zijn ook ontvankelijk bij de tuchtcolleges. Een werkgever is immers ook belanghebbende bij gezondheidsbescherming van z’n werknemers.)

De verhoudingsgewijs vele klachten tegen (bedrijfs)artsen “met hun enkels in de modder van de samenleving” suggereren dat mensen sociale problemen op tafel brengen bij het tuchtrecht. Het gaat hen niet zozeer om de kwaliteit van beroepsuitoefening waar het voor bedoeld is. Een maatschappelijke trend? Het lijkt waarschijnlijk dat de tuchtklachtfunctionaris, gesteund door andere maatregelen, daar een rem op kan zetten.

Meer informatie, jaarverslagen medisch tuchtrecht

Overzicht wijzigingen BIG

‘Boosaardige’ plekken op internet, onderhoudt een ‘Nieuwsplatform medische fouten’, en publiceert een ‘Checklist aanwijzingen medische fouten

Bedrijfsarts – blogger Algra

Met dank aan Ton van Oostrum